Home » Nieuws » Hoge Raad geeft nadere duidelijkheid over kindgebondenbudget in arrest van 7 juli 2017
 

Hoge Raad geeft nadere duidelijkheid over kindgebondenbudget in arrest van 7 juli 2017

 

Hoge Raad doet wederom uitspraak over kindgebonden budget.

Door het Hof Den Haag zijn zgn. prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad, de hoogste rechtsinstantie in Nederland, over het kindgebonden budget (hierna: “kgb”). De vraag die het Hof stelde was of het kgb invloed heeft op de behoefte van degene die aanspraak maakt op partneralimentatie, met andere woorden kan het kgb worden gezien als inkomen van de alimentatiegerechtigde?

Al eerder (in 2015) heeft de Hoge Raad bepaald dat bij het bepalen van de draagkracht voor kinderalimentatie het kgb wel als inkomen van de ouder die het kgb ontvangt meetelt. Deze ouder heeft hierdoor een hoger inkomen en kan meer kinderalimentatie betalen.

De Hoge Raad heeft op 7 juli 2017 bepaald dat als het gaat om de behoefte aan partneralimentatie het kgb niet als inkomen van de alimentatiegerechtigde moet worden meegeteld. De Hoge Raad overweegt dat het kgb er toe strekt gezinnen met lagere inkomens een bijdrage te verstrekken in de kosten van de tot het gezin behorende kinderen. Daarmee verdraagt zich niet, aldus de Hoge Raad, dat (een gedeelte van) het kgb zou moeten worden aangewend om in de kosten van de alimentatiegerechtigde te voorzien. Dit geldt ook wanneer de alimentatieplichtige het kgb ontvangt. Ook dan is het kgb niet bedoeld om daarvan (indirect) partneralimentatie te betalen. De Hoge Raad heeft verder overwogen dat het niet uitmaakt of het kgb hoger is dan het aandeel dat de alimentatiegerechtigde in de kosten van de kinderen moet bijdragen. Indien u het betreffende arrest wil lezen inclusief de overwegingen van de Hoge Raad, klik dan op de volgende link:  https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2017:1273

Conclusie:

De conclusie hieruit is dat het kgb buiten beschouwing moet blijven bij het vaststellen van de behoefte van de alimentatiegerechtigde. Daar voegt de Hoge Raad nog aan toe dat ook bij een evt. jusvergelijking (verkeert de alimentatiegerechtigde bij ontvangst van het berekende alimentatiebedrag in een financieel betere positie dan de alimentatieplichtige?) het kgb niet de reden mag zijn van een neerwaartse correctie van de partneralimentatie op de voet van artikel 1:157 lid 1 BW. Dit artikel luidt:

Artikel 1:157 BW

1. De rechter kan bij de echtscheidingsbeschikking of bij latere uitspraak aan de echtgenoot die niet voldoende inkomsten tot zijn levensonderhoud heeft, noch zich in redelijkheid kan verwerven, op diens verzoek ten laste van de andere echtgenoot een uitkering tot levensonderhoud toekennen.

2. Bij de vaststelling van de uitkering kan de rechter rekening houden met de behoefte aan een voorziening in het levensonderhoud voor het geval van overlijden van degene die tot de uitkering is gehouden.

3. De rechter kan op verzoek van één van de echtgenoten de uitkering toekennen onder vaststelling van voorwaarden en van een termijn. Deze vaststelling kan niet ten gevolge hebben dat de uitkering later eindigt dan twaalf jaren na de datum van inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand.

4. Indien de rechter geen termijn heeft vastgesteld, eindigt de verplichting tot levensonderhoud van rechtswege na het verstrijken van een termijn van twaalf jaren, die aanvangt op de datum van inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand.

5. Indien de beëindiging van de uitkering ten gevolge van het verstrijken van de in het vierde lid bedoelde termijn van zo ingrijpende aard is dat ongewijzigde handhaving van die termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van degene die tot de uitkering gerechtigd is niet kan worden gevergd, kan de rechter op diens verzoek alsnog een termijn vaststellen. Het verzoek daartoe dient te worden ingediend voordat drie maanden sinds de beëindiging zijn verstreken. De rechter bepaalt bij de uitspraak of verlenging van de termijn na ommekomst daarvan al dan niet mogelijk is.

6. Indien de duur van het huwelijk niet meer bedraagt dan vijf jaren en uit dit huwelijk geen kinderen zijn geboren, eindigt de verplichting tot levensonderhoud van rechtswege na het verstrijken van een termijn die gelijk is aan de duur van het huwelijk en die aanvangt op de datum van inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand. Indien de rechter een termijn vaststelt, kan deze vaststelling niet ten gevolge hebben dat de uitkering op een later tijdstip eindigt dan ingevolge de vorige zin het geval zou zijn. Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat in de eerste zin in plaats van "de in het vierde lid bedoelde termijn" wordt gelezen: de in de eerste zin bedoelde termijn.

Meer informatie gewenst of heeft u vragen?

Indien u naar aanleiding van het voorgaande vragen hebt over het kindgebondenbudget of naar aanleiding van de uitspraak van de Hoge Raad, gelieve dan contact op te nemen per telefoon of per email met onze advocaat personen & familierecht. Uw contactpersoon is mevrouw mr. M.H. van den Berg.

Contact kunt u opnemen via: info@schouten-advocaten.nl of bel voor rechtstreeks contact via 030 - 69 25 014

 

 

Contact

Wilt u een afspraak maken of meer informatie?

Gratis probleemanalyse

Bezoekadres:

Schouten Advocaten
Slotlaan 72
3701 GP ZEIST (UTRECHT)